(Opnamen uit 2006, plus onderaan eentje uit 2011. Als je op de naam klikt opent het filmpje in een apart venster. De filmpjes van 006 beginnen met de sprong op de echte snelheid en dan de sprong tweemaal zo traag. De vertraagde beelden zijn mooi om beeldje voor beeldje te bekijken. De filmpjes zijn het best af te spelen met Quick-time player, ook gratis voor Windows. In de quicktimeplayer kan je met de pijltjestoesten beeldje voor beeldje door een filmpje heen, voor atletiek is dat heel erg handig.)DE AANLOOP
Een goede aanloop bestaat uit een stuk rechte lijn gevolgd door een mooi erop aansluitend stuk van een cirkel. Ook het laatste stuk van de aanloop is nog cirkelvormig, pas tijdens de laatste pas kom je van naar binnen hangen tot verticaal. Bij het laatste stukje van de afzet ben je dus verticaal, ga niet naar de lat toehangen.De aanloop moet zo snel dat je het hoogste springt. Nogal wiedus. Maar hoe snel is dat? Dat is niet voor iedereen hetzelfde, maar voor zeer veel springers geldt dat de aanloop best wat sneller zou kunnen. Je moet zo snel gaan dat je de snelheid op kunt vangen (en dan niet alleen bij je eerste sprong, maar ook bij de laatste sprong van de wedstrijd). Mensen met veel aanleg voor het hoogspringen, dus met veel sprongkracht, hebben de neiging langzaam te lopen en dan pats heel sterk af te zetten. Toch springen ook zij hoger met een snellere aanloop. Je been werkt dan een beetje als een polsstok en bij polsstospringen geldt: hoe snellere aanloop hoe hoger de sprong. Ik zeg niet veel over hoe je moet aanlopen. Met grote passen, lage passen, korte passen, springerige passen, versnellend of vertragend? Eigenlijk maakt het weinig uit -- als de laatste pas maar perfect is: fel en goed en precies snel genoeg. Soms zie je hoogspringers die als een drol aanlopen, maar in de laatste pas doen ze toch ineens de juiste acties, dan geeft die drol niet zo (al zou ik het niet aanbevelen). Wel geldt natuurlijk voor alle atleten, dat je moet zorgen voor goede buik- en rugspieren, sterke enkels en voeten enzovoort enzovoort. (Meer over het berekenen/tekenen van een aanloop hier (tekst Engels).) DRIE PLAATJESIk kijk altijd eerst naar het moment dat je het hoogst boven de grond bent (voor wie van natuurkunde houdt: het is het moment waarop je zwaartepunt de top van de paraboolbaan passeert; hoogspringen is allemaal natuurkunde! Voor de doorbijters: zie onder.). In de lucht kan je weinig doen (behalve je rug hol trekken en je armen en benen een beetje zus of zo laten zwabberen) en wat je op het hoogste punt ziet is dan ook allemaal veroorzaakt bij de afzet en tijdens de laatste pas van de aanloop. Daarom geef ik eerst een beeldje van het hoogste punt, daarnaast een beeldje van het laatste moment van de afzet en dan nog een beeldje van het begin van de laatste pas van de aanloop. Bijna altijd weet je door die drie plaatjes al genoeg om een sprong te kunnen beoordelen en om in de training weer lekker aan de techniek te kunnen gaan werken.VOORBEELDEN/DETAILSHieronder zie je Marije op 1,60 en op 1,65 (PR). De sprong op de hoogste hoogte is een heel klein beetje minder van techniek. Dat heeft bijna iedereen, je ziet het ook heel vaak bij de OS en WK.De latpassage is heel erg goed. Kijk bij het hoogste punt naar de hoogte van de schouders en de hoogte van de heup en dan zie je dat de schouders lager zitten dan de heup, je bent dan heel goed om de lat heen gedraaid/geroteerd. Bovendien gooit Marije haar hoofd helemaal achterover en ook dat is prachtig, niet iedereen durft dat. RotatieDie rotatie (draaiing) om de lat heen wordt bij de afzet veroorzaakt door drie dingen. Eerst het zwaaibeen, dat is hier super: spitse knie, bovenbeen hoger dan horizontaal, been wijst van de lat af. Verder krijg je rotatie als je bij het begin van de laatste pas flink in de bocht hangt en dan in de laatste pas rechtop komt. Dat naar binnen hangen doet Marije niet heel erg, maar door die superknie is dat ook niet nodig. Rotatie komt ook nog een klein beetje door de 'banaan', dat is dat bij de afzet de heupen iets verder van de lat af zitten dan hoofd en afzetvoet, dat is hier wel enigszins te zien. |
![]() | ![]() | ![]() |
![]() | ![]() | ![]() |
|
Erik op 1,80 en op 1,85 (PR). Net als bij Marije hierboven is de sprong op de hoogste hoogte een heel klein beetje minder van techniek. Op het hoogste punt zitten de schouders iets lager dan de heupen, prima, en ook heel mooi is hoe de rechterarm enigszins naar de grond wijst. Om nog net iets meer rotatie te krijgen kan de knie bij de afzet nog wat hoger, maar veel is het niet. Knie wijst heel mooi van de lat af. BochtDe houding in de bocht is OK, mooie bocht. Op het filmpje zie je dat Erik eerst een scherpe bocht loopt en veel naar binnen hangt en dan de laatste paar passen iets minder. Dat scherpe deel van de bocht kan wat slapper gemaakt worden (paar voetjes naar rechts), maar de laatste passen moeten wel exact hetzelfde blijven. Die aanpassing hebben we dan ook gedaan. (Als iemand hoger springt mag de bocht slapper zijn omdat je dan toch langer in de lucht bent en toch wel voldoende gaat roteren.)Armen en benenOp het hoogste punt van de sprong is het het gunstigs als de onderbenen recht naar beneden wijzen. Over de actie van de binnenste arm zijn er veel opvattingen. Sommigen strekken die arm recht omhoog, anderen, zoals Erik, schuin omhoog, weer anderen laten de hand hooguit tot neushoogte komen. Het omhoog strekken doen sommigen al bij het begin van de laatste pas, sommigen doen het tijdens de zweeffase van de laatste pas en weer anderen doen het tijdens de afzet. Het lijkt allemaal niet wezenlijk uit te maken. Ik houd het er op dat het pas nuttig kan zijn vanaf 2,10 meter! Dus als je zo hoog gaat springen begin ik er over. Trouwens, wel is het mooi als die arm na passage van de lat ongeveer richting voeten wijst. Of in elk geval niet naar de wolken... |
![]() | ![]() | ![]() |
![]() | ![]() | ![]() |
|
Robin op 1,70. Robin springt intussen 1.92, dus deze beelden zijn voor de historie. De bocht is hier het grote probleem. Robin staat het rechtopst van allemaal bij aanvang van de laatste pas (foto rechts) en zijn bovenlijf helt in de richting van de lat terwijl het er juist vanaf moet zijn. SchotsHet tweede punt is het zwaaibeen. De knie gaat wel aardig in de goede richting maar het been wordt daarna uitgeschopt. Mede daardoor vertraagt de rotatie en is de latpassage niet optimaal: de schouders zitten een stuk hoger dan de heupen.Zo'n uitschoppend been kan aangeleerd zijn door veel met schotse sprong te springen, ik ben er daarom niet voor om die techniek te gebruiken. Het kan goed gaan, maar er kunnen ook fouten inslijpen die er later maar moeilijk uit te krijgen zijn. (Daar staat tegenover dat in Cuba schots springen verplicht is tot men bij de centrale training bij Javier Sotomayor mag meedoen...) HeupstrekkingEen extra detail dat tot minder rotatie leidt zit in de houding van het bovenlijf, er wordt een tikje naar voren gedoken. Het naar voren duiken zie je aan het subtiele achterwaartse knikje in de heupen bij de afzet. Het is een banaan de verkeerde kant op. Dit subtiele banaanfoutje met grote gevolgen zie je bij heel veel springers. Ze strekken bij de afzet wel de enkel en de knie, maar niet de heup. Vergelijk het met wat Erik doet, hij brengt zijn heup iets naar voren ten opzichte van voet en hoofd. Terwijl bij een niet gestrekte heup de heup eerder achter hoofd en voet blijft. Doordat de strekking zeer fel/dynamisch gebeurt, heeft een klein verschil hier grote gevolgen. |
![]() | ![]() | ![]() |
Ieder voorwerp heeft een zwaartepunt, ook het menselijk lichaam. Wanneer je iets op je vinger laat balanceren, een bezem of een bal, dan zorg je er steeds voor dat het zwaartepunt van bezem of bal recht boven je vinger zit. Bij iemand die rechtop staat, zit haar/zijn zwaartepunt ongeveer recht boven de enkels en ongeveer 5 cm lager dan de navel. Strek je een arm boven je hoofd dan gaat ook het zwaartepunt iets omhoog. Krom je je rug, dan zit het zwaartepunt nog steeds boven de enkels, maar het zwaartepunt komt buiten je lijf te zitten! Ook bij iemand die bij het hoogspringen goed hol trekt boven de lat zit het zwaartepunt buiten het lijf. Heel sommige springers krijgen het voor elkaar om het zwaartepunt onder de lat door te laten gaan!
Stoot je een kogel dan gaat de kogel schuin naar voren omhoog. Maar het ding stijgt steeds langzamer en gaat daarna weer richting grond. De baan die het zwaartepunt van de kogel (bij een kogel zit dat precies in het centrum van de kogel) aflegt is een parabool. Of je nu steiler of vlakker stoot, het blijft altijd een parabool, dat kan niet anders. (Afgezien van luchtweerstand. En afgezien van dat het eigenlijk een stukje van een ellips is dat niet van een parabool te onderscheiden valt.)